In de meidagen van 1940 keek mijn opa de Duitse invallers tweemaal in de ogen als dienstplichtig soldaat, bij Nijmegen en de Grebbeberg. De details van wat hij daar meemaakte kende niemand – Jacques van Pelt wilde er nooit over praten – tot 80 jaar na dato zijn militair identiteitsplaatje opduikt op een vuilstort. Het is het begin van een reconstructie. ‘Hij moet een Duitser doodgeschoten hebben.’

Rhenen, 13 mei 1940, rond het middaguur. Duitse troepen staan op het punt om de Slag om de Grebbeberg definitief te winnen, na drie dagen van aanhoudende gevechten en zwaar artillerievuur. Het zijn de heftigste gevechtshandelingen op Nederlands grondgebied in twee eeuwen tijd, waarbij uiteindelijk 417 Nederlandse en 275 Duitse soldaten het leven zullen laten, veelal jonge dienstplichtigen.

Rhenen staat in brand, aan flarden geschoten door Duitse granaten. Het SS-regiment ‘Der Führer’ slaat gaten in de laatste verdedigingslinie van het Nederlandse leger die van noord naar zuid dwars over de Grebbeberg loopt. Daarna rest alleen nog de spoorkuil bij Rhenen als hindernis voordat doorgestoten kan worden naar de Nieuwe Hollandse Waterlinie bij Utrecht, het bolwerk rond de Randstad. Station Rhenen hebben de Duitsers al in handen.

De vernietigde binnenstad van Rhenen. Bron: Collectie Streekarchivariaat Kromme Rijngebied Utrechtse Heuvelrug

Een laatste tegenoffensief van het Nederlandse leger die ochtend, aan de noordkant van de Grebbeberg, is mislukt door sterke tegenstand van de Duitse overmacht. Als rond 13 uur Duitse bommenwerpers het artillerievuur komen ondersteunen, breekt de moraal onder de Nederlandse soldaten. Ze waren in een dusdanige stemming, verklaart kolonel Antonie van Loon naderhand, ‘dat als ik hun de revolver op de borst gezet had om hen neer te schieten, zij het ook goedgevonden hadden’. In paniek slaat de ene na de andere groep op de vlucht, richting Amerongen.

Daar, westelijker op de Utrechtse Heuvelrug, is zojuist de eerste compagnie van grensbataljon elf ter versterking aangekomen. Tegen de verhoudingen in zet de compagnie een allerlaatste tegenaanval in, in een poging het station en de spoorbaan weer te heroveren. ‘Majoor gaat u toch voorwaarts, Rhenen zelf is niet bezet door de vijand’, krijgt de bataljonscommandant bemoedigend te horen van de legerstaf. Nog eenmaal laden de troepen zich op, dodelijk vermoeid door nachtenlange marsen vanuit Nijmegen, waar ze op 10 mei al zwaar gevochten hebben. Vandaag kijken ze opnieuw de dood in de ogen, zal later blijken.

Mijn grootvader Jacques van Pelt, dan 19 jaar oud, is een van hen.

Hoogstwaarschijnlijk althans, als je de archieven er op naslaat. Zelf heeft mijn Brabantse opa nooit iets losgelaten over wat hij meemaakte in de begindagen van de Tweede Wereldoorlog. Tachtig jaar na dato begint het te knagen bij verschillende mensen in de familie. Wat heeft ‘ons vader’ meegemaakt in mei 1940 dat hij er daarna nooit over wilde praten? Dat geldt vooral voor mijn vader Rinus en zijn broer Frans, de op een-na-oudste van het gezin, die allebei inmiddels richting de 72 gaan – de leeftijd waarop mijn opa overleed, in 1993. Beiden gaan op onderzoek uit, aanvankelijk zonder dat van elkaar te weten.

Was het gebeurde zo traumatisch, dat hij er nooit over praatte?

Zelf raak ik ook geïntrigeerd. Ik ken mijn grootvader vooral als de stille, kalende en rondbuikige man in pak die de Tour de France zat te kijken vanuit ‘zijn’ fauteuil, met een glas Vieux-cognac en Roxysigaret bij de hand. Als hij sprak, dan was het met de bedachtzame relativerende woorden die zijn beroep als leraar verrieden. ‘Jot’, was zijn stopwoord, wat zoiets betekende als ‘maak je niet druk’. Niet echt het klassieke beeld van een oorlogsveteraan.

Was het gebeurde zo traumatisch, dat hij er nooit over praatte? Of duwde hij het naar de achtergrond omdat zovelen dat deden in de naoorlogse decennia, omdat men vooral druk was met de wederopbouw?

Geen genoegen

Mijn vader, oom en ik zijn niet de enige die dit soort vragen stellen, zeker nu de Tweede Wereldoorlog momenteel extra in de belangstelling staat vanwege 75 jaar vrijheid. Jaarlijks gaan steeds meer en meer mensen op zoek naar het oorlogsverleden van hun familieleden. Op internetfora wemelt het van de mensen die oorlogsinformatie over hun familie zoeken.

‘Vooral rond 4 en 5 mei krijgen we altijd veel vragen’, zegt Elias van der Plicht, medewerker bij het centrum voor familiegeschiedenis CBG. Het CBG helpt mensen op weg die met hun verleden bezig zijn. De stichting beheert veel historische documenten, zoals persoonskaarten met onder andere huwelijks- en overlijdensgegevens van Nederlanders.

Vroeger wilden vooral statige families hun stamboom reconstrueren, om hun statuur te bevestigen, zegt Van der Plicht, maar de afgelopen decennia zijn er ook steeds meer gewone families naar hun geschiedenis op zoek. ‘Er heeft een soort emancipatieslag plaatsgevonden. Misschien komt dat omdat mensen meer op zoek zijn naar een eigen identiteit, omdat instituties als kerken weg zijn gevallen. De Tweede Wereldoorlog is een historisch ijkpunt waar je dan al snel terecht komt.’

Jacques (midden onder) voor zijn kazerne, waarschijnlijk de Chassékazerne Breda. Bron: familiealbum

Waar de generatie die de oorlog meemaakte daar weinig over sprak, zijn vooral hun kinderen en kleinkinderen juist benieuwd naar het oorlogsverleden, merkt de CBG-medewerker. ‘Die laatsten nemen geen genoegen met het zwijgen en gaan zelf actief op zoek naar informatie. Zo komen ze bijvoorbeeld bij ons terecht.’

De toenemende belangstelling onder de jonge generatie merkt ook het Nederlands Instituut voor Militaire Historie (NIMH), dat onder andere archieven en gevechtsverslagen uit de Tweede Wereldoorlog beheert. Zij kreeg in 2019 bijna 2300 informatieverzoeken binnen, bijna 7 procent meer dan een jaar eerder, laat NIMH-onderzoeksmedewerker Willem Smit weten. ‘Zo’n veertig procent daarvan komt van mensen op zoek naar militaire gegevens van hun familieleden. Opvallend is dat tegenwoordig ook veel kleinkinderen deze verzoeken indienen.’

Veel persoonlijke informatie over dienstplichtige soldaten – het gros van de militairen in mei 1940 – heeft het NIMH echter niet. Zij worden zelden genoemd in de verslagen, die meestal gemaakt zijn door militairen met een hoge rang, zoals commandanten. Wel kan het NIMH informatie geven over de troepenbewegingen en gevechtshandelingen waar iemand waarschijnlijk bij betrokken was, mits diens militaire staat van dienst in het bezit is van familieleden. Smit: ‘Dan is de militaire eenheid bekend en kunnen wij aanvullende informatie geven.’

Nachtelijke gesprekken

De staat van dienst van mijn opa hebben mijn ooms en ik aanvankelijk niet. We moeten het doen met de verhalen uit de familieoverlevering, maar die zijn beperkt. Mijn opa’s zus Tonny overleed in 2006, broer Tom al dertig jaar eerder en ook mijn oma is al meer dan dertig jaar dood. Wel blijkt mijn oom Frans een legerkist en een paar briefkaarten en foto’s uit mijn opa’s diensttijd te hebben. Op de foto’s staat Jacques in militair tenue, maar de sneeuw en de lachende gezichten verraden dat ze voorafgaand aan de oorlog gemaakt moeten zijn.

Het enige wat mijn grootvader ooit vertelde, aldus mijn vader, is dat hij bij de Grebbeberg vocht en daarna bij Nijmegen aan een brug richting Grave, over het Maas-Waalkanaal. ‘Als wij daar overheen kwamen met de auto zei hij wel eens: deze brug heb ik nog verdedigd.’ Later zat hij nog een paar weken in Duitsland gevangen, maar waar precies weet mijn vader ook niet.

Het maakt de anekdotes lastig aan elkaar te knopen. Zo was Nijmegen 10 mei toch al in Duitse handen, op dag één van de oorlog? Hoe kan mijn grootvader daar nu gestreden hebben ná op de Grebbeberg te zijn geweest? Bovendien: daar waren toch zo’n beetje de laatste gevechtshandelingen van de meidagen, vlak voor het bombardement op Rotterdam dat het leger tot overgave dwong? Misschien was het inderdaad wel andersom, denkt mijn vader. En die brug, vraag ik me af, liep die niet over de Maas bij Grave, in plaats van over het Maas-Waalkanaal? Een rivier is toch veel belangrijker om te verdedigen?

Hij waarschuwde: “Elke generatie gaat een oorlog meemaken.”

Ook zijn andere kinderen vertelde Jacques niets. ‘Terwijl ik denk ik wel de meeste nachtelijke gesprekken met hem had’, vertelt mijn oom Ger, de middelste van mijn opa en oma’s zeven kinderen. ‘Als ik ’s nachts terugkwam van het stappen zat hij meestal nog rustig achter zijn borreltje en spraken we over van alles en nog wat. Maar never-nooit over de oorlog. En als ik ernaar vroeg zei hij: “dat is een gepasseerd station, daar vertel ik niks over. Het is niet belangrijk”. Dat hij in Duitsland gevangen zat, zei hij wel, zonder details te noemen. En hij waarschuwde: “Elke generatie gaat een oorlog meemaken.”’

Jacobus Antonius Marie van Pelt wordt geboren in juli 1920 in het Brabantse Dongen, een dorp ten noorden van de lijn Breda-Tilburg met toentertijd een kleine 10.000 inwoners. De lokale economie draait op leerlooierijen en de schoenindustrie. Ook Jacques’ vader Marinus is er werkzaam, als voorman in een schoenfabriek. Mijn opa en zijn jongere zus en broer zijn kinderen uit hun vaders tweede huwelijk. Marinus’ eerste vrouw sterft in het kraambed, tegelijk met haar baby. Ook Marinus zelf wordt niet oud, hij overlijdt op zijn 53ste aan kanker. Als oudste zoon wordt de 15-jarige Jacques samen met zijn moeder opeens verantwoordelijk voor het gezin.

Desondanks mag Jacques de kweekschool afmaken, hij doet examen net voor de oorlog. De eerste jaren van de bezetting deelt hij bonnen uit bij de distributiediensten in Gilze en Rijen, en Dongen. In 1943 wordt hij onderwijzer op de dorpsschool van Oosteind, een gehucht drie kilometer verderop. Na zijn huwelijk in 1948 met mijn oma Elisabeth huurt hij er een huis, waarin mijn vader en zijn vier broers en twee zussen opgroeien. Later verhuist het gezin naar het nabijgelegen Oosterhout, als Jacques lesgeeft op de lokale Mulo. Daar woont hij tot zijn overlijden in 1993, tweeëneenhalf jaar na de dood van mijn oma.

Een paar jaar voor opa’s dood komen er onverwachts oorlogsherinneringen naar boven, als hij na een zware buikoperatie in het ziekenhuis begint te ijlen over zijn diensttijd. ‘Daar schrok ik van’, vertelt mijn tante Els, die naast zijn bed zat. ‘Ik kende mijn vader helemaal niet verward, en nu zwaaide hij druk en angstig heen en weer met zijn armen. Hij zei dat hij in de stellingen lag en moest schieten op de Duitsers. Op andere momenten begon hij ook driftig met zijn handen te eten. Dat deed hij anders nooit – hij at altijd gewoon met mes en vork.’ Misschien ging het er zo in het krijgsgevangenkamp aan toe, opper ik.

Toen mijn tante naderhand refereerde aan het ijlen, ging mijn opa er niet op in. ‘Als je dat probeerde werd hij heel, hoe moet ik het zeggen, afstandelijk. Zo van: dat gaat je niks aan. Het bleef een gesloten boek.’

Militairtjes

Het is zaterdagochtend 14 september rond half elf als Riet van Pelt een kop koffie en een worstenbroodje neerzet voor mijn vader en mij, op de eerste verdieping van haar verzorgingsflat in Dongen. ‘Je moet je bezoek goed verzorgen’, zegt de 98-jarige. Met stok en rollator stiefelt ze druk heen en weer tussen haar keukentje en de fineerhouten tafel vanwaar ze uitkijkt op de huisartsenpost aan het Dongepark.

Riet is de laatst levende van mijn opa’s generatie uit onze familie, en bovendien nog helder van geest. Zou zij ons meer kunnen vertellen? De meidagen herinnert zich in ieder geval nog goed. ‘Het was een invasie. Met pantserwagens kwamen ze hier binnenrijden, terwijl de vliegtuigen overvlogen. Tegen zo’n overmacht viel niet te vechten door onze militairtjes, die slechts voor hun nummer opgekomen waren. Zij hadden niet veel meer dan pistolen.’ Ach, verzucht ze, als je het niet zelf meegemaakt hebt is het moeilijk over te brengen hoe het voelde.

Riets man was mijn opa’s neef. De gezinnen waar ze uit kwamen zagen elkaar veel, ze woonden in hetzelfde dorp. Met mijn grootvader bleef Riet tot aan diens overlijden contact houden, maar over details uit de oorlog spraken ook zij nooit.

‘Toen de Duitsers kwamen zat Jacques in een schuttersputje’

Dat een van haar mans broers – eveneens dus een neef van mijn opa – krijgsgevangen gemaakt werd en weken in Duitsland in een kamp zat, weet Riet wel. Hij heette toevallig ook Jacques – wat het er allemaal niet overzichtelijk op maakt. ‘Toen de Duitsers kwamen zat Jacques – die van ons dus hè – in een schuttersputje. De soldaat naast hem zat vluchtte weg en werd doodgeschoten. Maar Jacques liet zich pakken en heeft toen zes weken in een kamp in Oost-Duitsland krijgsgevangen gezeten. Daarna mochten ze naar huis.’

Zat hij daar misschien samen met zijn neef Jacques, vraagt mijn vader. ‘Ik weet het niet, jullie pa heb ik er nooit over gehoord.’ Maar als ook hij daar ook zat, moet het eten hem in ieder geval bij zijn gebleven. Zes weken lang aten ze aardappelschillensoep. ‘Je kreeg echt alleen het hoognodige. Onze Jacques heeft er niks aan overgehouden volgens mij – het was ook geen concentratiekamp hè, die kwamen later pas.’

Het spoor lijkt dood te lopen. Met niemand lijkt mijn grootvader details gedeeld te hebben, laat staan dat ze ergens op schrift staan in bijvoorbeeld een dagboek. Het frustreert. Waarom heb ik hem er zelf ook nooit naar gevraagd, bijvoorbeeld naar aanleiding van een geschiedenisles, verwijt ik mijn 14-jarige zelf.

Metaaldetector

Het is eind oktober. In een driehoekig stukje bos van nog geen halve hectare groot, pal naast het militaire RIMI-terrein net buiten Dongen, wroet ik met Hans Zeelen-Van Gemert met een handschepje in de grond, een paar meter naast een omgevallen boom. ‘Ja, dit is de bewuste plek’, zegt hij zelfverzekerd, wijzend op een hoopje zand, vermengd met herfstbladeren, kapotte bierflesjes en porselein. We staan op een verhoogd deel, tussen de wandelpaden waar mensen hun hond uitlaten of aan houten toestellen krachtoefeningen doen.

Ik kom in contact met de veertiger via mijn nicht Sabrina, de dochter van mijn oom Ger. Zij kreeg een Facebookbericht met de vraag of zij de kleindochter was van Jacobus van Pelt. Zeelen had namelijk diens militaire identiteitsplaatje gevonden en wilde het graag aan de familie teruggeven. Hij kwam per toeval bij mijn nicht terecht doordat zij voor haar opleiding ooit een stamboom van de familie online zette.

Als hobby zoekt Zeelen in zijn vrije tijd naar oude bierflesjes van voormalige brouwerijen, met schepje en metaaldetector – ‘een Fisher CZ7’. Zo ook op deze plek, die in de jaren veertig als stortplaats gebruikt werd, onder andere door de toenmalige Dongense brouwerij De Kroon (‘Later werd dat ‘Van Tuijn’, die kwamen nog in het nieuws door die ontploffende Exota-flesjes’). Nu groeien er eiken, berken en struiken, maar de vuilstort is minder dan drie decimeter weg, laat Zeelen zien als hij een zestal porseleinen beugeldopjes opgraaft met een kroonvormig logo erop. 

Op eenzelfde manier stuitte hij twee jaar geleden ook op een zinken plaatje van een paar vierkante centimeter. ‘Het was helemaal verroest en vies’, vertelt hij. ‘Normaal gesproken gooi ik zoiets bij het schroot, maar vanwege de vorm – er zaten gaatjes aan de zijkant en in het midden – bekeek ik het eens beter.’ Na wat schoonmaken kwam er tekst tevoorschijn: ‘Van Pelt, Jacobus A.M., 17 R.I. 1940’, en ‘10-7-1920’ – de geboortedatum van mijn grootvader. Zeelen begreep meteen dat hij met een militair identificatieplaatje van doen had.

Hoe het plaatje op de vuilstort is beland, weet Zeelen niet. Ook de lokale heemkundekring, die ik later spreek, moet het antwoord schuldig blijven. Van het aanpalende militaire complex komt het in ieder geval niet – dat werd pas in 1955 gebouwd, toen de vuilstort al niet meer in gebruik was. Op het terrein staat bovendien geen kazerne, maar een bouwplaats voor militaire installaties.

Misschien is het plaatje bij een verhuizing weggegooid?, speculeren we. Het kan ook dat hij zijn plaatje moest leveren bij de Duitse autoriteiten toen hij terugkwam uit krijgsgevangenschap en dat al die spullen na de oorlog hier gedumpt zijn. ‘Het gekke is: het is het enige identificatieplaatje dat ik hier vond.’ Al zegt dat ook niet alles, voegt hij meteen toe. De bodem van de grond waarop we staan bestaat vooral uit aarde, daarin vergaat zink snel. Mijn opa’s plaatje zat toevallig in geler zand.

Inmiddels ligt het stukje metaal schoon en droog in een la bij mijn oom Frans. Die kreeg het weer van zijn broer Ger, nadat Zeelen het bij hem persoonlijk af was komen geven na het Facebookcontact. Na twee jaar vergeefs nabestaanden zoeken via internet is Zeelen blij dat het plaatje nu terug is bij de familie. ‘Dat doet mij meer deugd dan als ik een gouden ring zou vinden. Op Marktplaats wilden allerlei mensen het kopen, maar het gaat mij niet om het geld. Zoiets hoort bij familieleden thuis, vind ik.’

Ingelijfd als dienstplichtige

Voor mijn oom Frans vormt het identiteitsplaatje de aanleiding om in zijn vaders oorlogsverleden te duiken. Eerst vraagt hij kopieën op van dienst militaire staat van dienst, via de afdeling Semi-Statische Informatiebeheer van het Ministerie van Defensie. Dit SIB beheert deze zogeheten stamboeken van alle Nederlandse dienstplichtigen geboren na 1900.

En verdomd, de documenten kloppen exact met de gegevens op het identificatieplaatje. ‘Bij het 17e Regiment Infanterie ingelijfd als gewoon dienstplichtige van de lichting 1940 uit de Gemeente Dongen onder nummer 60’, staat met de hand op de stukken geschreven. Datum: 23 oktober 1939. De ‘bijzondere aantekeningen’ vermelden: ‘29-3-40 over in onderhoud bij Brigade B (1-11 GB).’ En, niet onbelangrijk: ‘Uit krijgsgevangenschap vrij met groot verlof op 10 juni 1940.’

Op basis van deze staat van dienst helpt het NIMH mijn oom vervolgens verder. Bij het zeventiende Regiment Infanterie volgde mijn grootvader najaar 1939 zijn militaire opleiding, laat het instituut per brief weten. In maart werd hij overgeplaatst naar de eerste compagnie van het elfde grensbataljon. ‘In deze eenheid was hij waarschijnlijk aanwezig bij het uitbreken van de oorlog’, schrijft het NIMH, al komt mijn opa’s naam niet voor in hun inventaris.

Ik veer op als ik deze correspondentie onder ogen krijg. Voor het eerst is er feitelijke informatie – zwart op wit, of beter: zwart op geel. De informatie verraste mijn vader ook, die lange tijd niet wist dat zijn broer navraag had gedaan – mogelijk vanwege een soort broederlijke competitie die decennia teruggaat en waar ik lastig de vinger achter krijg.

Jacques (met bril) met een groepje medesoldaten. Bron: familiealbum

Hoe dan ook, met de militair-historische informatie uit Den Haag in de hand gaan mijn vader en ik verder op onderzoek uit – soms samen, meestal parallel. Een doos van Pandora aan informatie opent zich. Niet gek natuurlijk – over de Tweede Wereldoorlog is gigantisch veel geschreven. ‘1-11 GB’ en aanverwante zoektermen leiden tot tientallen hits in allerlei bronnen, van gedigitaliseerde verslagen, boeken en kaarten tot foto’s in regionale archieven, dagboekfragmenten en discussies op internetfora. Ook kom ik in contact met mensen wiens familieleden eveneens bij het elfde grensbataljon zaten. En passant leer ik een hoop bij over waar, wanneer en hoe er precies gevochten werd in mei 1940, en de militaire strategie daarachter.

Mijn opa’s naam kom ik echter nergens tegen. Teleurstellend, maar niet verrassend, zoals het NIMH al aangaf. Dienstplichtigen werden van minder belang geacht om na de oorlog de krijgsverrichtingen op een rijtje te zetten – dat was officierenwerk. Bovendien zijn bijna alle lijsten met namen van soldaten en hun verdeling over de verschillende secties en legeronderdelen vernietigd, legt Herman Amersfoort uit, emeritus-hoogleraar militaire geschiedenis aan de Universiteit van Amsterdam. ‘Opperbevelhebber Winkelman heeft alle onderdelen bij de capitulatie opgedragen hun oorlogsarchief te vernietigen en dat is behoorlijk stipt uitgevoerd.’ Amersfoort schreef meerdere prominente boeken over de Tweede Wereldoorlog, waaronder het standaardwerk Mei 1940: de strijd op Nederlands grondgebied. ‘De lijsten hebben overigens wel bestaan’, voegt hij toe, ‘want de compagniesadministrateur moest weten aan wie hij soldij moest uitbetalen.’

Militaire rapporten

Veel van de documenten die ik doorspit staan ook in de online bronnenlijst over de Tweede Wereldoorlog die het CBG aanraadt aan mensen die hun familiegeschiedenis willen reconstrueren. Ook grebbeberg.nl heeft een stappenplan. Op de site staan honderden gedigitaliseerde militaire rapporten van het NIMH die betrekking hebben op de Slag bij de Grebbeberg, van 11 tot 13 mei. Twaalf daarvan blijken verslagen en verklaringen afgegeven door soldaten van mijn opa’s compagnie.

‘We zien het als taak om hun verhalen te vertellen – de goede en de slechte’

Stichting De Greb wil met de site en lezingen en rondleidingen het verleden levend houden, vertelt voorzitter Bernier Cornielje. ‘De Grebbeberg is het grootste slagveld van de meidagen in ons land, waar 426 Nederlandse militairen zijn gesneuveld. We zien het als taak om hun verhalen te vertellen – de goede en de slechte.’

Veel van die verhalen komen ook weer terug in de duizenden pagina’s dikke boekenreeks De strijd op Nederlands grondgebied tijdens de Wereldoorlog II. In deze zogeheten ‘Groene Serie’ – naar de kleur van de kaft – heeft de Nederlandse krijgsmacht meteen na, en deels al tijdens, de oorlog minutieus alle gevechtshandelingen van mei 1940 beschreven. De bekende publiekswerken van Loe de Jong van het Nederlands Instituut voor Oorlogsdocumentatie (NIOD) zijn er op gebaseerd.

De boekenreeks is pagina voor pagina te bekijken op archieven.nl, en ook fysiek in enkele plekken in het land. Zo maak ik in het Erfgoedcentrum van bibliotheek de Rozet in Arnhem scans en foto’s van pagina’s en kaarten die online slecht leesbaar zijn. Ook hier komt mijn grootvaders compagnie meermaals aan bod.

Na maanden uitzoekwerk lukt het eindelijk om alle stukjes van mijn grootvaders oorlogspuzzel aan elkaar te leggen en zijn voetsporen te reconstrueren. Zo blijkt dat zijn compagnie 1-11 GB op 10 mei inderdaad het Maas-Waalkanaal bij Nijmegen moest verdedigen, ter hoogte van de spoorbrug richting Den Bosch. Mijn opa lag daarmee hemelsbreed op slechts vijf kilometer van mijn huidige woning, aan de andere kant van de stad. Een van de topografische kaarten toont de exacte plekken van de betonnen verdedigingsbunkers vanwaaruit 1-11 GB vuurde. Zelfs hun nummer – 47 tot en met 65 – en schootsrichting zijn ingetekend. Op een archieffoto van een van deze kazematten staat een soldaat met bril die sprekend op mijn opa lijkt, maar de foto blijkt in 1939 genomen, voordat mijn opa naar Nijmegen overgeplaatst was.

Dienstplichtigen bouwen een kazemat bij het Maas-Waalkanaal, 1939. Bron: NIOD

’s Nachts sliepen de militairen bij boeren in de buurt, zegt de inmiddels overleden oud-militair Theo de Kleijn in een interview uit 2012 in veteranenblad Checkpoint. Het klopt met de lange adreslijsten van ‘inkwartieringsplichtigen’ die ik vind in het Regionaal Archief Nijmegen. ‘Vaak kwamen ze wel in de stad’, weet historicus Lennert Savenije van de Radboud Universiteit, die promotieonderzoek deed naar de Nijmeegse oorlogsgeschiedenis, ‘bijvoorbeeld om gevechten te oefenen op de kazerneterreinen daar of zich te wassen in badhuizen.’ De compagnie, die vooral bestond uit jongens uit Nijmegen en omgeving, heeft een eigen kantine aan de Sint-Agnetenweg, in de huidige Nijmeegse wijk Neerbosch-Oost.

Fatale schoten

Het elfde grensbataljon had als taak om alle bruggen aan de noordkant van het Maas-Waalkanaal op te blazen zodra de Duitsers ons land binnenvielen. Vervolgens moest het zo lang mogelijk voorkomen dat de vijand via bootjes of pontons het water zou oversteken.

Op 10 mei om 4 uur ’s nachts klinken plots ontploffingen uit de richting van de grens bij Nijmegen. Theodorus Boers, kapitein van de eerste compagnie, wacht orders van hogerhand niet af en blaast de spoorbrug en de naastgelegen verkeersbruggen bij Neerbosch op, vanuit zijn commandopost een paar honderd meter achter de verkeersbrug. Het is exact 4.17 uur, en net licht. ‘Bam, bam, bam!’, met een knal breken alle drie bruggen doormidden en zijgen het kanaal in.

Het is geen minuut te vroeg. Duitse stoottroepen blijken tot op 150 meter genaderd, valt te lezen in De strijd aan het Maas-Waalkanaal van Allart Goossens. Even later staan er twee Duitse pantserwagens, twintig motorrijders en een stafauto van SS-Untersturmführer Schittenhelm aan de overkant. Een paar Nederlandse soldaten aan de andere kant van het water zijn net op tijd nog met bootjes overgezet.

Voordat de Nederlandse militairen goed en wel doorhebben dat het menens is vechten ze voor het vaderland – en hun leven. ‘Wat wisten wij nu van oorlog?’, zegt De Kleijn in Checkpoint. ‘We wisten alleen dat we moesten schieten op mensen die eraan kwamen aan de overkant’. Dat doen ze. Met pantserafweergeschut weten ze één vijandelijke pantserwagen uit te schakelen en de andere in brand te schieten, evenals als de stafauto. Reserve-luitenant Vermeulen – commandant van de zware mitrailleursectie – opent het vuur op de motorrijders vanuit kazemat 52, net ten noorden van de vernietigde brug. Ook een tegemoetkomende trein wordt in brand geschoten.

Een beschadigde kazemat langs het Maas-Waalkanaal (1943)

De Duitsers zijn gedwongen zich terug te trekken naar veiligere posities. Vanuit daar nemen ze gedurende een paar uur de Nederlandse troepen onder vuur, maar door de afstand is hun geschut niet sterk genoeg om de kazematten ernstig te beschadigen. Boers en zijn troepen hebben de eerste aanval afgeslagen. Aan Duitse zijde sneuvelen uiteindelijk vijf tot tien soldaten, aan Nederlandse kant vier. Het zou zo maar kunnen dat een van de fatale schoten uit mijn opa’s geweer kwam.

Het gevaar is verre van geweken. Net ten zuiden van 1-11 GB zijn Duitsers er wel in geslaagd twee bruggen over het kanaal in handen te krijgen, na felle gevechten – met name bij Heumen. Boers stuurt nog wel pantserafweergeschut en mannen richting de eerste brug, bij Hatert, maar het lukt hen niet deze te vernietigen. Wel heroveren ze enkele nabijgelegen kazematten, en weten zo te voorkomen dat Duitse troepen verder naar het noorden oprukken.

Met twee bruggen in Duitse handen is er echter geen houden aan. In de loop van de middag krijgt 11 GB dan ook het bevel om terug te trekken naar het dorpje Puflijk, bij Druten in het Land van Maas en Waal. Voor hun terugtocht vorderen ze onderweg fietsen, onder andere in Beuningen – ‘evenwel zonder afgifte van een vorderingsbewijs’, aldus gemeentelijke archiefstukken waarin een schade-inventaris opgemaakt is. ‘Mijn [eigen] fiets ligt bij het woonwagenkamp aan het kanaal’, schrijft de Nijmeegse soldaat Antoon de Leeuw, later, op een briefkaart aan zijn ouders.

Bron: Regionaal Archief Nijmegen

Drie dagen zonder warm eten

Het Nederlandse leger bestaat begin mei 1940 uit vier legerkorpsen van ongeveer 25.000 man per stuk, verdeeld over alle strategische linies in het land. De buitenste heet de Maas- en IJsellinie – die de Duitse opmars dient te vertragen. Daarachter ligt de hoofdverdedigingslinie, bestaande uit de Utrechts-Gelderse Grebbelinie en de Peel-Raamstelling in Brabant. De Vesting Holland – de Nieuwe Hollandse Waterlinie – is de final line of defence, en beschermde de vier grote steden.

Naast de legerkorpsen zijn er nog een handvol onafhankelijke zogeheten brigades met een eigen indeling en taak. Een van de vier onderdelen van Brigade B is de Groep Maas-Waal, dat het gelijknamige kanaal verdedigt, als onderdeel van de Maas- en IJssellinie. Het ongeveer 600 man grote elfde grensbataljon maakt de ene helft uit van die groep, en het 26ste Regiment Infanterie – dat later zo hevig bij Heumen vecht – de andere. De eerste twee van de drie compagnies van 11 GB liggen bij het kanaal, de laatste compagnie verdedigt de grens bij Groesbeek. De eerste compagnie is weer opgedeeld in vier secties manschappen en een sectie dat het afweergeschut bediende, elk ongeveer 40 man groot. Mijn opa moet in sectie 1 of 2 van dit 1-11 GB gezeten hebben.

Na hun terugtrekking van het kanaal op 10 mei krijgt 1-11 GB weinig rust. Dezelfde nacht nog wordt de compagnie via Leeuwen en Tiel doorgestuurd naar Zoelmond – tussen Culemborg en Wijk bij Duurstede. Daar worden ze anderhalve dag als reservetroepen achter de hand gehouden, totdat in de loop van Eerste Pinksterdag, 12 mei, duidelijk is dat de Grebbelinie versterking nodig heeft. Op die strategische plek wordt dan al twee dagen heftig gevochten en rukken de Duitsers stukje bij beetje op. Valt de Grebbeberg, dan valt de hele hoofdverdedigingslinie van het Nederlandse leger. Alleen de Randstad is dan nog beschermd.

’s Avonds om 21.00 uur vertrekt het elfde grensbataljon richting Amerongen, waar het de volgende ochtend arriveert en per auto naar Elst vervoerd wordt. In het dorpje net achter Rhenen zijn alle reservetroepen verzameld. Mijn opa en zijn medesoldaten hebben dan al drie dagen niet warm gegeten.

Op 13 mei om 13.00u komt het aanvalsbericht: 1-11 GB moet proberen het treinstation van Rhenen te heroveren en de spoorbaan te bezetten tot de Rijnbrug, een halve kilometer. Het stationsgebouw, ten westen van het spoor, is sinds die ochtend in Duitse handen – een penibele situatie. Nadat die nacht de belangrijkste linies op de Grebbeberg zelf verloren gegaan zijn, rest alleen de spoorkuil nog als allerlaatste verdedigingslijn voor het Nederlandse leger.

Station Rhenen, 1939. Bron: Historische Vereniging Oudheidkamer Rhenen en Omstreken

Kapitein Boers gaat voorop met de eerste sectie van zijn compagnie, de andere secties volgen zeshonderd meter na hem. Twee andere bataljons zullen hen later komen ondersteunen, is het plan. Boers verbaast zich over de stroom vluchtende soldaten die hen tegemoetkomt. ‘Voordat wij op marsch gingen en ook tijdens den marsch passeerden ons vele infanterieonderdeelen in paniekstemming’, schrijft hij naderhand in zijn gevechtsverslag. ‘Het was een bende, zonder orde en tucht.’ Hij sommeert zijn soldaten om zich niet door angst te laten leiden. ‘Velen van ons zijn getrouwd en hebben een gezin en het is goed dat je daaraan denkt, maar nu moeten jullie vechten en je volkomen geven.’

De tegenaanval van hun compagnie is een ‘wanhoopsoffensief’, zegt vaandrig Jan Eykelhoff – commandant van de derde sectie – achteraf in het boek Zes dorpen in verzet, vol ‘straatgevechten en strijd om huizen, waarbij we bestookt werden door Stuka’s’, in duikvlucht schietende en bombarderende Duitse vliegtuigen. ‘Het leek wel of de hel losgebroken was’, schrijft ook sergeant Ph. Delissen.

Bronzen Leeuw

Dat de situatie hopeloos lijkt, vormt voor de plichtsgetrouwe Boers geen belemmering. Als 50-jarige, ervaren beroepsmilitair heeft hij veel strategisch inzicht. En is niet bang – ‘Hij ging altijd voorop’, zegt De Kleijn in Checkpoint. ‘Ik zie hem nog voor me met zijn pistool in de hand.’ Als de militairen niet door Rhenen kunnen vanwege brandende gebouwen en vijandelijk vuur dirigeert Boers ze via de zuidelijkere uiterwaarden richting spoor.

De tegenstoot is zeer succesvol. ‘Mijn opdracht de spoorbaan te bezetten vanaf de spoorbrug tot aan het station heb ik toen uitgevoerd’, schrijft Boers nuchter in zijn verslag. De soldaten klimmen het talud op, en heroveren het station. Ook weten ze zelfs nog de vijand te verdrijven uit zowel zeepfabriek Rhenus als timmerfabriek De Stoomhamer, aan de oostkant van het spoor.

Zo feitelijk als Boers zelf de gebeurtenissen opschrijft, zo heftig was het voor de militairen zelf. Er vallen meerdere gewonden tijdens de actie, doden waarschijnlijk niet. De Kleijn, die als compagniekok in Elst achter was gebleven, zei daarover: ‘Het moet verschrikkelijk zijn geweest voor die jongens die mee moesten naar voren, met mensen om je heen die wegvallen.’ Toch was er geen keus dan Boers’ orders volgen. ‘Je gaat mee, je moet mee.’

Soldaat G. van der Hal, die een dag eerder ter versterking de Grebbeberg op werd gestuurd, beschrijft zijn ervaringen van 12 mei in zijn dagboek, dat bij het NIOD ligt: “De kapitein maakt met ernstige stem bekend dat wij onverwijld naar den Grebbenberg moeten, waar dringend versterking noodig is. De stemming die zooeven nog vrij goed was is plotseling omgeslagen. Niemand zegt iets en wat er in de hoofden omgaat laat zich raden… De tocht vangt aan, maar wordt telkenmale onderbroken daar we dekking moeten zoeken tegen vliegtuigen. Naarmate we Rhenen naderen neemt het artillerie-vuur in hevigheid toe.”

“De kanonnen bulderen uit alle macht – zoowel de Hollandsche als de Duitsche. De granaten suizen over ons heen. Er worden uitroepen gewisseld tusschen bekenden als ‘hou je maar taai, het beste, tot ziens, zet ‘m op, etc. De meesten echter gaan strak voor zich uit kijkend vooruit. Het artillerie-vuur is thans ontzettend en het is een wonder dat nog niemand van ons getroffen is. Vanaf den weg klinkt aanhouden verward geschreeuw, gevloek en geraas tot ons door. Door dit alles heen het geratel van mitrailleurs dat van alle kanten tegelijk schijnt te komen.”

Het verwoeste centrum van Rhenen. Bron: RHC Zuidoost-Utrecht

Dat de angst ook bij de soldaten van 1-11 GB dicht onder de oppervlakte zit, blijkt wanneer de compagnie zich na enkele uren alsnog moet terugtrekken. De beloofde versterking is niet komen opdagen – mede doordat de militaire leiding dacht dat Boers gesneuveld was. Op de terugtocht komen ze weer onder vuur. Granaten slaan vlakbij in, er breekt paniek uit. Boers weet zijn manschappen echter weer in het gareel te krijgen door ze op te dragen in exercitiepas te gaan lopen. Zijn verslag: ‘Direct was de orde en rust hersteld’. “Het bevel van Kapitein Boers: ‘compagnie formeren’ vond ik erg fijn”, rapporteert sergeant H. Baring naderhand, “daar je hiermede kon zien dat hij de geheele leiding in handen had.”

Deze disciplinaire maatregel en Boers acties bij het station en het Maas-Waalkanaal waren dermate indrukwekkend dat hij er na de oorlog de “Bronzen Leeuw” voor krijgt, een hoge militaire dapperheidsonderscheiding. ‘Bijzonder moedig’, ‘onverschrokken’, ‘bezielend’, ‘vastberaden’ en ‘beleidvol’, zijn enkele van de loftuitingen die Boers ten deel vallen. Lang kan hij er niet van genieten – in 1947 sneuvelt de majoor in Nederlands-Indië. Zelfs in een recente boek over militaire tactiek wordt Boers “een voorbeeld van inspirerend leiderschap en tactische vakkennis” genoemd.

Mijn opa’s compagnie was de allerlaatste groep militairen die Rhenen verlaat. In het kielzog van de reeds vertrokken regimenten trekken ze terug op fort Honswijk, achter de Nieuwe Hollandse Waterlinie. De Duitsers komen niet meteen achter hen aan, omdat ze aanvankelijk geen weet hebben van de aftocht. Ze gebruiken de gevechtspauze om gewonden te verzorgen.

Kapitein Theodorus Boers. Bron: Grebbeberg.nl

Het moet traumatisch zijn om vier dagen met mitrailleursalvo’s en doodsangst omringd te zijn, zeker als jong broekie van 19, bedenk ik tijdens het lezen van de verslagen en dagboeken. Niet vreemd dat mijn opa er daarna nooit meer over wilde praten. ‘Hij wilde het per se achter zich laten’, denkt ‘tante’ Riet. ‘Op een gegeven moment krijg je ook een ander leven: je gaat trouwen, krijgt kinderen. Dan verdwijnen die herinneringen naar de achtergrond – en dat moet ook. Je moet ook verder.’

‘Spreken is zilver, zwijgen is goud is een motto dat lang opgeld heeft gekend na de oorlog’, beaamt hoogleraar psychotrauma en kolonel Eric Vermetten. De naoorlogse wederopbouwfase is er de tijd niet naar om ‘goede gesprekken’ te voeren waarin emoties naar buiten kunnen worden gebracht. Door niet over hun oorlogstrauma’s te praten, lijkt de verwerking ervan voor de buitenwereld geslaagd. Maar dat is slechts schijn, blijkt uit wetenschappelijk onderzoek – zo hebben veel veteranen last van nachtmerries. Vaak komen de herinneringen pas op latere leeftijd echt aan de oppervlakte, bijvoorbeeld na pensionering. Ook de veranderende tijdsgeest speelt daarbij een rol, legt Vermetten uit, net als de druk die kinderen uitoefenen.

Dat mijn opa ook last bleef houden van zijn oorlogsherinneringen ligt voor de hand, gezien het ijlen in het ziekenhuis. ‘Hij moet Duitsers doodgeschoten hebben’, is de interpretatie van mijn oom Frans. ‘Als jij aan de frontlinie zit, bijvoorbeeld bij zo’n kanaal, dan zie je aan de overkant de vijand zitten. Dan weet je of je iemand raakt of niet.’

Misschien verklaart het ook wel zijn drinkgedrag. Elke dag dronk mijn opa een paar borrels cognac, als twintiger al. Thuis, maar ook op weg van werk naar huis, of in het café. Negatieve effecten op zijn gedrag had dat niet, zegt iedereen, integendeel. Drinken – en roken – leek hij te doen om te kunnen ontspannen.

Een handje gestoomde aardappelen

Ook na terugtrekking vanaf de voet van de Grebbeberg is de tocht van mijn opa nog niet voorbij. Nadat Duitse vliegtuigen Rotterdam bombarderen op 14 mei en ons land dwingt te capituleren, worden de Nederlandse militairen bij fort Honswijk krijgsgevangen gemaakt en naar Duitsland afgevoerd.

Ze moeten richting Arnhem, via dezelfde Grebbeberg die ze verdedigd hebben. ‘16 mei ’40. Nog gezond. Vele groeten van Jacques’, staat op een van de briefkaarten die bij mijn oom Frans liggen, en geadresseerd is aan mijn toen 18-jarige grootmoeder Elisabeth. Er staat een PS onder: ‘Ik schrijf dit namens de Uw [sic] bekende Jacques, die voorbij Oosterbeek komt op weg naar Arnhem en zelf geen kaart bij de hand had. M. Quadvlieg.’

Vanaf Arnhem gaan ze per trein naar Luckenwalde, zo’n 50 kilometer onder Berlijn, na een kort tussenverblijf in Meppen. In Luckenwalde staat kamp ‘Stalag IIIA’, waar de ruim 5000 Nederlandse krijgsgevangenen in dertien grote tenten slapen. Lijsten van geïnterneerden zijn, in tegenstelling tot andere kampen, niet bewaard gebleven. Wel beheert het huidige museum in het Duitse stadje een onvolledige lijst van overledenen, laat een medewerker per email weten.

Het verblijf in Duitsland is geen verschrikking. ‘Het laatste is niet het ergste geweest’, schrijft oud-kampbewoner en journalist Hendrik van Heerde in zijn boek Tusschen vuur en ijzer uit 1940. Heel anders dan de voorafgaande vijf dagen oorlog, “waaraan we niet we niet willen denken en die toch immer voor onze geest blijven staan”. Eenmaal daags krijgen ze een handje gestoomde aardappelen, soms met spruiten. Op andere momenten eten ze aardappelschillensoep en brood. Gewerkt hoeft er niet te worden, overdag doden de soldaten de tijd met kaarten of zelfgemaakte damspellen.

Al vanaf dag één gonst het gerucht dat de Nederlanders snel vrijkomen. ‘Kom spoedig naar huis’, schrijft Antoon de Leeuw op 31 mei vanuit het kamp, op dezelfde Kriegsgefangenepostkarte waarin hij vermeldde dat zijn fiets nog bij het Nijmeegse kanaal staat. Lager-Bezeichnung: Stalag IIIA, staat er ook op vermeld, evenals zijn Gefangenenummer.

Gedetineerden in kamp Luckenwalde. Bron: Dirk Ruiter/Tracesofwar.nl

Begin juni is het inderdaad zover – de Nederlanders mogen op de trein terug naar Nederland, omdat Hitler de Hollanders als broedervolk ziet dat eervol gestreden heeft. Voor de Fransen geldt dat niet, zij blijven nog jaren langer, net als Polen en Russen. Het gros van hen zal in de strenge winter van 1942 in het kamp overlijden.

Eenmaal terug in eigen land worden de militairen feestelijk onthaald, onder andere in Arnhem, waar ze zich eindelijk fatsoenlijk kunnen verzorgen: ze worden geknipt en krijgen nieuwe kleren van lokale bewoners. 10 juni 1940, zes weken na het begin van de oorlog, loopt ook mijn grootvader het poortje naast zijn ouderlijk huis eindelijk weer door, en gooit zijn kloffie op de grond. ‘Ik wil het nooit, maar dan ook nooit hebben over wat ik mee heb gemaakt’, zegt hij als hij zijn moeder en zus in de armen valt.

Vallende vijand

Met mijn vader zit ik op een bankje aan de westoever van het Maas-Waalkanaal in Nijmegen, het is eind januari 2020. We kijken uit op de spoorbrug die tegenwoordig beide zijden verbindt. Aan de overkant fietsen twee mensen langs het water. De afstand is kleiner dan een voetbalveld lang is – kort genoeg om te zien dat het om een man en vrouw van middelbare leeftijd gaat. Vóór de kanaalverbreding in de jaren 70 (toen ook alle kazematten weggehaald werden) was het water zelfs maar 60 meter breed – letterlijk een steenworp.

‘Mijn vader kon de Duitsers inderdaad bijna in de ogen kijken’, constateert mijn vader. Als het raak was, moet hij de vijand hebben zien vallen. Of dat gebeurd is, maakt voor mijn vaders beleving weinig uit, voor dat van mijn opa des te meer, denkt hij. ‘Hij moest het de rest van zijn leven met zich meedragen.’ Dan, nuchter: ‘Maar misschien heeft hij wel expres naast geschoten, om ze af te schrikken.’

Rinus van Pelt voor de spoorbrug bij Neerbosch, 2020. Foto Stan van Pelt

Nu mijn opa’s helletocht tachtig jaar na dato opgehelderd is, ga ik met mijn vader de belangrijkste plekken langs waar hij vocht: het kanaal bij Neerbosch en de Grebbeberg. Op het bankje laat ik de archieffoto’s zien van de opgeblazen brug uit mei 1940. ‘Met de ontploffingen begon de oorlog voor opa opeens’, besef ik. ‘Van het ene op het andere moment stonden de Duitsers daar en moest hij schieten.’

De Duitsers hadden de inval niet aangekondigd en stonden binnen twintig minuten bij die brug. Zo’n abrupte overgang, daar kun je je niet mentaal op voorbereiden, denkt mijn vader. ‘Op dat moment was hij volledig in het ongewisse was over de afloop, of hij zijn familie nog terug zou zien. Of hij het überhaupt zou overleven. Die gedachtes op zich moeten al heel beangstigend en traumatisch zijn geweest.’

Wat vooral opvalt is hoe klein alle afstanden zijn. Dat geldt niet alleen voor de breedte van het kanaal, maar ook voor de omgeving van Rhenen, waar we later naartoe rijden. De Grebbeberg is een puist in het landschap waar je met de auto in een paar minuten overheen bent; vanaf het militaire ereveld op de top loop je via het omringende bos binnen een half uurtje naar de uiterwaarden en weilanden beneden. In retrospect maken de bescheiden afmetingen het extra bijzonder dat de Duitsers de veldslag pas na drie volle dagen wonnen.

Ook de laatste actie van mijn opa’s compagnie, de herovering van station Rhenen, bestrijkt maar een klein geografisch gebied. Vanuit de uiterwaarden lopen we in minder dan twee minuten van de Rijnover naar de Cuneralaan die onder de spoorbrug door loopt. De kerktoren in het centrum ligt nog geen kilometer achter ons.

Vanaf de weg kruipen we via het struikgewas het spoortalud op, in het spoor van mijn grootvader – een pad is er niet. Het is steil, maar te doen. ‘Hij moet doodsangsten hebben uitgestaan toen hij omhoogklom. Ze hadden natuurlijk geen idee hoe het er daarboven uit zag’, hijgt mijn vader als ik hem met een hand het laatste stukje omhoogtrek. Eenmaal bovenop het talud, waar vroeger het spoor liep en de achterkant van het stationsgebouw stond, raast nu het verkeer voorbij over de N233.

‘Hij heeft ongelooflijk veel meegemaakt in die paar dagen’, concludeert mijn vader als we in de auto terug naar Nijmegen zitten. ‘Of ik nu anders naar hem kijk? Ja, met toch wel meer respect en bewondering. Had ik dit allemaal eerder geweten, dan had ik hem wat meer ontzien vroeger.’ Later vult hij telefonisch nog aan: ‘Toen ik een jaar of 40 was – net als jij nu – zei hij bijvoorbeeld dat ik toch niet zo hard moest werken. Daar ging ik toen fel tegenin. Zonde dat ik deze verhalen toen niet kende, dan had ik dingen beter in perspectief kunnen plaatsen.’

Ook voor mij is de cirkel nu rond, al blijven er losse eindjes. Heeft hij nu Duitse soldaten neergeschoten of niet, bijvoorbeeld, bij het kanaal of het Rhenense station? Het raadsel rond het plaatje op de vuilstort in Dongen blijft ook onopgelost.

‘Je zult vragen stellen waar je nooit het antwoord op vindt’

Maar dat is niet erg, besef ik, denkend aan de woorden van historicus Lennert Savenije van de Radboud Universiteit: ‘Ik vertel mijn studenten geschiedenis altijd: je zult vragen stellen waar je nooit het antwoord op vindt.’ Je kunt nooit alles tot in detail reconstrueren, zegt ook Bernier Cornielje van Stichting De Greb. ‘Zelfs verklaringen van mensen die dezelfde gebeurtenis meemaakten zijn tegenstrijdig. Het gaat om de grote lijnen. En om heroïek, van mensen die niet weten of ze misschien wel de dood tegemoet gaan.’

De Gelderlander omschrijft het gevoel dat mij beklijft het beste, in een artikel van 10 maart 1947. De naoorlogse onderscheiding van Boers zal ‘niet alleen dezen dapperen officier van de oude garde tot groote eer strekken’, schrijft de krant. ‘Ook de jongens, die op 10 Mei bij het Maas-Waalkanaal en op 13 Mei 1940 bij Rhenen den strijd hebben meegemaakt, zullen hier een erkenning in zien voor hun eigen moedig standhouden in dagen, dat het vaderland zijn diepste rampspoed beleefde.’

Toch nog een klein beetje een held dus, mijn oude opa in die stoel.

Dit artikel waarderen?

Wil je dit artikel waarderen en daarmee mijn journalistieke werk rechtstreeks ondersteunen? Dat kan via een donatie:

Totaal: € -